Ravijn
- Kristien De Wolf
- Jun 25, 2024
- 4 min read

We zijn zo blij dat we er zijn. Alleen nog het bergpad. We nemen de scherpe bocht naar boven. Er liggen stenen verspreid over de weg, afgebrokkeld van de rotswand rechts van ons. Die moeten eerst weggenomen worden, vind ik. Ik stap uit, zonder overleg met El Jefe (mijn man).
‘Denk aan onze banden,’ zeg ik vrolijk. ‘Geen onnodige risico’s alsjeblieft.’ We hebben net zestien uur gereden. Op een paar minuten komt het niet. De week ligt nog helemaal voor ons. Ik begin naar boven te klimmen en neem één voor één de stenen weg. Mijn man volgt met de auto.
De afwateringsgreppel, die net voor de laatste bocht ligt en dwars over de weg loopt, is dieper geworden. Of verbeeld ik me dat? Ik klim nog wat verder naar boven en kijk toe hoe El Jefe nadert. De auto heeft niet veel snelheid, waarschijnlijk door het oponthoud van daarnet. De banden slippen en kreunen. El Jefe geeft flink gas. De witte Hyundai Santa Fe sleept zichzelf nog enkele krakende meters verder de helling op en komt dan tot stilstand in de greppel. Vooruit lukt niet. Achteruit lukt niet. De auto zit vast. Elk aanjagen van de motor maakt de greppel dieper.
‘Nog één keer achteruit proberen,’ zegt El Jefe, nadat we een grote steen onder zijn achterwiel hebben uitgepeuterd. Ik stap in om de auto meer gewicht te geven. Mijn man start de motor. De auto schiet met kracht schuin achteruit uit de greppel en nog een pak verder, op een haar na het ravijn in. Ik krijg het heet, maar zwijg.
We stappen uit om te zien hoe erg het is. We staan dwars over de weg, onze achterwielen op centimeters van de afgrond. Er kan niemand meer door nu. Er kan niemand ons komen redden. Zelfs geen buur met een 4x4 en een ferme trekhaak. Er is maar één weg en die loopt boven dood in de boomgaard van Jaime. We weten niet eens of de man nog leeft. Het is jaren geleden dat we hem nog zagen.
El Jefe ziet eruit alsof dit er echt te veel aan is. Zelf ben ik wel nog fris, want ik heb de hele weg geslapen, maar ik weet ook niet hoe we hier uit komen. Ik loop het pad op en neer om na te denken. El Jefe leunt tegen de auto. De zon staat hoog aan de hemel, de lucht is fris, de bomen zingen zorgeloos ruisend en ritselend hun oude liedjes, terwijl wij niet weten van wat hout pijlen te maken.
*
Vader is in een goede bui. Zijn ploeg heeft de match gewonnen en het feestbier is vele uren blijven stromen. Hij wil zo graag eens door de bossen crossen voor we naar huis gaan, wat kan het kwaad? Mijn zusjes en ik zitten op de achterbank, zonder veiligheidsgordels. Die bestaan nog niet. We hebben honger, maar crossen willen we wel. Vader neemt bij elke splitsing het smalste pad. Ons Volkswagentje Golf is zo groen als de bomen en vinnig als een vos. Het gaat heel goed. We slippen en driften. Mijn zusjes en ik gieren het uit van de pret, tot een weggetje een greppel blijkt te zijn en we met een luide BONK tot stilstand komen. Vooruit lukt niet, want daar staat een hek. Vader verzet de versnellingspook met een soepele beweging. Hij geeft plankgas. Dat geeft wel een hoop lawaai en een regen van modder op de ruiten, maar geen millimeter terreinwinst. We stappen uit en mijn zusjes en ik zitten meteen tot onze enkeltjes vast in plakkerig zwart slijk. Dit is al veel minder leuk.
‘Pak de automatten en steek ze onder de wielen!’ roept vader. Deze opdracht is voor mij bedoeld. Ik ben de oudste. Nadat ik mezelf heb losgewerkt uit de modder, kruip ik de auto in en vind de matten gemakkelijk. Ik gooi ze eerst naar buiten. Daarna spring ik onversaagd in de modderpoel en friemel ze een voor een onder de voorwielen (we hebben voortractie). Ik duw mijn zusjes aan de kant en vader zet weer aan. De auto schiet meteen de gracht uit. We komen onder de modder te zitten. We juichen om de redding en om de overwinning van de automatten, om onze vader die een held is. Als we thuis zijn stript moeder alle kleren van ons lijf en in onze kamerjas eten we warme tomatensoep.
*
‘We hebben een mat nodig!’ roep ik naar mijn man. ‘Een mat!’ roep ik nog eens. Ik pak de sleutel van hem over en ren naar boven, naar de deur van onze stal. Daar haal ik een kokosmat uit tevoorschijn. Ik ren terug en prop ze onder de voorwielen (voortractie ook hier).
Mijn man is moe. Hij kijkt boos. Een mat, een mat. Wat zou dat. Mijn hoop op een plotse doorbraak deelt hij niet. Toch stapt hij in. Hij zet aan. Het begint veelbelovend, maar een kokosmat is voorwaar geen automat. De fraaie mat wordt ogenblikkelijk aan stukken gereten. Er schiet niets van over. Ze is goed voor de container.
Ik raap de stukken op. We kijken elkaar aan. Hoe moet dit aflopen? El Jefe zegt niets. Ik buig het hoofd en zie mijn vader voor me. Vader heeft gezegd: automat. Dan moet je niet vinden dat het met een kokosmat ook wel zal gaan. Ik duik de auto in en zwier de bagage die de gehele achterbank en voetruimte in beslag neemt eruit. Daar zijn ze: twee mooie, donkergrijze, geweven automatten die er splinternieuw uitzien. Ik friemel ze onder de wielen en stap in. Het wonder geschiedt. El Jefe schiet naar voor en rijdt zonder verdere problemen over de matten, tot boven.
We maken de voordeur niet open, gaan de automatten niet ophalen, maar gaan zitten op het bankje voor de deur. We kijken. Zo mooi. Dat waren we al bijna vergeten tijdens onze kleine reiscrisis.
Op onze wandeling de volgende ochtend gluren we vanuit onze ooghoeken naar de afgrond. We verbreken de oeroude stilte niet voor het oprakelen van belachelijke herinneringen die nog veel te vers zijn.
Dit stuk verscheen op www.elderliterair.nl
Comments